A    X
Eindcontrole
Herstellen van kunststofdelen
Bijtinten en kleurenleer basis
Uitvoeren van een spotrepair
UV-droging bij schadeherstel
Certificaat verantwoord autospuit
Omgaan met gevaarlijke stoffen
Afleveringsklaarmaken van persone
Communicatie en organisatie

B 

Deelbranche: Schadeherstel

Meewerkend voorman Autospuiten

Branchekwalificaties

    • Eindcontrole
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Controle van de procedures
        • De deelnemer kent de elementen waaruit een eindcontrole is opgebouwd.

        • De deelnemer kent het doel en de toepassing van de tijdens de uit te voeren eindcontrole te gebruiken checklisten, werkorders en aanverwante documenten en kan deze toepassen bij het uitvoeren van een eindcontrole.

        • De deelnemer weet hoe hij afspraken met de klant/opdrachtgever moet meenemen in de eindcontrole.

        • De deelnemer begrijpt hoe een goed uitgevoerde eindcontrole kan bijdragen aan het voorkomen van faalkosten en klachten.

        • De deelnemer begrijpt welke plaats de eindcontrole kan hebben in het verbeteren van het totale bedrijfsproces.

        • De deelnemer kan de klant een heldere uitleg geven over de reparatie van het voertuig en daarmee een bijdrage leveren aan de kwaliteitsbeleving van de klant.

        • De deelnemer kan documenten/checklists die gebruikt worden voor de voortgangscontrole, lezen/interpreteren.

      • Technische controle
        • De deelnemer kan technische controlecriteria en procedures lezen en interpreteren ten aanzien van:

          • Zichtbare fouten
          • Scharnierende delen
          • Carrosserie interieur
          • Carrosserie exterieur
          • Onderstel/wielen en banden
          • Verlichting
          • Elektronische voertuigsystemen (uitdraaien)
          • Belettering/bestikkering
          • Et cetera
    • Herstellen van kunststofdelen
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Gereedschappen, apparatuur, materialen
        • De deelnemer kent de gereedschappen en apparatuur die worden ingezet voor het lassen en verwarmen van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de gereedschappen en materialen die worden ingezet voor het mechanisch verbinden van kunststofdelen (bijvoorbeeld nieten) en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de toevoegingsmaterialen (kunststof lasdraad, lijmsoorten, stikstof) die worden ingezet voor het lassen en lijmen van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kan kunststoffen/typen herkennen/identificeren.

        • De deelnemer kent de begrippen die verband houden met kunststof en kunststofreparatie, zoals: thermohardend, thermoplast, etc.

        • De deelnemer kan de kunststof (veiligheids)delen herkennen, die om veiligheidsredenen niet gelast of gelijmd mogen worden.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de verschillende reparatietechnieken voor kunststofdelen, zoals: lassen, lijmen (vol of met mechanische verbindingen), verwarmen (in geval van deukjes), etc. en de voor – en nadelen van deze reparatiemethoden en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de veiligheidsmaatregelen die getroffen moeten worden voor het repareren van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer begrijpt de productinformatie voor de in te zetten materialen voor het repareren van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer weet hoe de verschillende reparatiemethoden dienen te worden nabewerkt tot het plamuren van de reparatieplek.

    • Bijtinten en kleurenleer basis
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer weet hoe hij de originele kleurcode van een voertuig kan achterhalen. 

        • De deelnemer weet wanneer en waarom een keuze gemaakt moet worden voor een “variant-kleur”.

        • De deelnemer weet waarom het noodzakelijk is om een kleurstaal te maken. 

        • De deelnemer weet hoe kleurdocumentatie geactualiseerd kan worden. 

        • De deelnemer kent de voorwaarden waaronder een kleurstaal en de kleur op het voertuig met elkaar vergeleken moeten worden.

        • De deelnemer kan een kleurverschil tussen kleurstaal en te spuiten object definiëren. 

        • De deelnemer kan, gegeven een kleurformule, aangeven wat het effect zou zijn van het toevoegen van een van de mengkleuren uit de formule.

        • De deelnemer kan aangeven op welke wijze verschillende lichtbronnen de kleurwaarneming beïnvloeden. 

        • De deelnemer weet wat metamerie is en hoe dit kan worden voorkomen. 

        • De deelnemer kent de kleuren uit de kleurencirkel volgens Goethe en de kleurencirkel volgens Newton.

        • De deelnemer weet wat wordt verstaan onder additieve kleurmenging.

        • De deelnemer weet hoe het menselijk oog kleuren waarneemt en hoe kleurwaarnemning kan worden beinvloed.

        • De deelnemer weet wat wordt verstaan onder begrippen als: koude en warme kleuren, primaire en secundaire kleuren, complementaire, contrast- en partnerkleuren, kleurflop, kleurreflectie en -absorbtie.

        • De deelnemer weet hoe een weegschaal moet worden ingezet bij het mengen van kleuren.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kan de kleurcode van een voertuig aflezen. 

        • De deelnemer kan kleurdocumentatie inzetten bij het zoeken naar de kleur van het voertuig.

        • De deelnemer kan elektronische kleurmeetapparatuur bedienen om tot een passende formule te komen.

        • De deelnemer kan een kleurformule volgens recept aanmaken. 

        • De deelnemer kan omschrijven op welke wijze spuittechniek en spuitinstelling de kleur kunnen beïnvloeden en deze technieken toepassen. 

        • De deelnemer kan op basis van het kleurverschil de juiste selectie maken van een of meer mengkleuren om tot de gewenste kleur te komen. 

        • De deelnemer kan de juiste specificaties geven van de verlichting in de kleurenmengruimte en spuitcabine. 

    • Uitvoeren van een spotrepair
    • UV-droging bij schadeherstel
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Gereedschappen, apparatuur, materialen
        • De deelnemer kent de in te zetten gereedschappen en apparatuur voor het voorbewerken, aanbrengen en nabewerken van UV-drogende producten.

        • De deelnemer kent de in te zetten materialen voor het voorbewerken, aanbrengen en nabewerken van UV-drogende producten.

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de eigenschappen van UV-drogende producten.

        • De deelnemer kent de eigenschappen van UV-licht.

        • De deelnemer weet op welke ondergronden en materialen UV-droging kan worden uitgevoerd.

        • De deelnemer kan UV-drogende materialen herkennen.

        • De deelnemer kent de opbouw van UV-drogende laksystemen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de te nemen veiligheidsmaatregelen voor het werken met UV-droogapparatuur en kan daar ook naar handelen.

        • De deelnemer kent de verschillende reparatietechnieken waarbij UV-droging kan worden toegepast en kan deze toepassen.

        • De deelnemer begrijpt de productinformatie voor de in te zetten UV-drogende materialen.

        • De deelnemer weet hoe oppervlakten die worden behandeld met UV-drogende materialen moeten worden voorbewerkt.

        • v

    • Certificaat verantwoord autospuiten (CVA) (Milieucertificaat)
    • Omgaan met gevaarlijke stoffen
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Herkennen van gevaarlijke stoffen
        • De deelnemer kan gevaarlijke stoffen herkennen aan de hand van het etiket of informatiebladen/gegevens over deze stof.

        • De deelnemer weet wat wordt verstaan onder H, R, P en S-zinnen en kan daar ook als zodanig naar handelen.

        • De deelnemer kent de betekenis van de toegepaste gevaarsymbolen/pictogrammen voor gevaarlijke stoffen en kan daar ook als zodanig naar handelen.

        • De deelnemer kent de chemische kenmerken van gevaarlijke stoffen in relatie tot veiligheid, gezondheid en milieu.

      • Omgang met gevaarlijke stoffen
        •  

          De deelnemer weet welke wettelijke richtlijnen en regels er zijn ten aanzien van opslag van gevaarlijke stoffen, waar hij die vandaan kan halen, hoe deze stoffen moeten wordne opgeslagen en kan daar ook als zodanig naar handelen.

        • De deelnemers weet hoe hij op basis van de gegeven veiligheidsinformatie moet omgaan met gevaarlijke stoffen en kan daar ook als zodanig naar handelen.

        • De deelnemer weet waaraan de maximaal toelaatbare concentraties van gevaarlijke stoffen kunnen worden afgelezen.

        • De deelnemer weet hoe te handelen in geval van calamiteiten met gevaarlijke stoffen en kan daar ook als zodanig naar handelen.

        • De deelnemer weet waar en hoe de veiligheidsinformatie met betrekking tot de omgang met gevaarlijke stoffen wordt vastgelegd in de risico inventarisatie & evaluatie (RI&E))

        • De deelnemer kent de arbeidshygiënische volgorde waarin werknemers beschermd moeten worden tegen risicovolle arbeidsomstandigheden en kan hier als zodanig naar handelen.

      • (persoonlijke) beschermingsmaatregelen
        • De deelnemer kent de diverse persoonlijke beschermingsmiddelen die toegepast kunnen worden in de eigen werkomgeving.

        • De deelnemer kent de codering gebruikt op PBM’s en kan deze als zodanig toepassen.

        • De deelnemer weet welke persoonlijke beschermingsmiddelen ingezet moeten worden bij gebruik van bepaalde materialen/stoffen, hoe deze toegepast moeten worden en past deze ook als zodanig toe.

        • De deelnemer kent de maatregelen die getroffen moeten worden om veilig en gezond te kunnen werken met gevaarlijke stoffen.

        • De deelnemer kent de uit de RI&E voortvloeiende verplichting met betrekking tot voorlichting en onderricht in de omgang met gevaarlijke stoffen.

    • Afleveringsklaarmaken van personenauto's
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Gereedschappen, apparatuur, materialen
        • De deelnemer kent de gereedschappen die kunnen worden ingezet voor het afleveringsklaarmaken, zoals poets-, polijst- en schuurmiddelen, poetspads en poetsmachines, krabbertjes, etc.). 

        • De deelnemer kent de materialen die kunnen worden ingezet voor het afleveringsklaarmaken. 

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de eigenschappen van oplosmiddelhoudende en niet-oplosmiddelhoudende reinigingsmiddelen en hun toepassingsgebied.

        • De deelnemer kent de eigenschappen van poetsmiddelen en hun toepassingsgebied.

        • De deelnemer kan de verschillende lakfouten herkennen en weet welke relatief eenvoudig in het afleveringstraject zijn op te lossen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kan het afleveren volgordelijk uitvoeren.

        • De deelnemer kent de verschillende technieken voor het verwijderen van onregelmatigheden in de lak die veroorzaakt zijn tijdens het spuiten.

        • De deelnemer kent de te nemen veiligheidsmaatregelen, waaronder de toepassing van PBM’s, voor het afleveringsklaarmaken en kan daar ook naar handelen.

        • De deelnemer begrijpt de productinformatie voor de in te zetten reinigings- en poetsmaterialen.

    • Communicatie en organisatie
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Leiding geven
        • De deelnemer kan verschillende stijlen van leidinggeven beschrijven zoals situationeel leidinggeven, coachend leidinggeven, taak en resultaatgericht leidinggeven, relatie en mensgericht leidinggeven en kan deze naar gelang de situatie als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kan het begrip “afdelingsdoelstelling” omschrijven en kan verschillende doelstellingen benoemen zoals; huidige situatie en gewenste situatie, afdelingsvisie en medewerkersvisie, omzet en resultaat.

        • De deelnemer kan verschillende soorten gesprekken in de rol van leidinggevende benoemen en omschrijven zoals correctiegesprek, coachinggesprek, feedback gesprek en sollicitatiegesprek en in voorkomende situaties als zodanig toepassen.

      • Overleg voeren/informeren
        • De deelnemer kan de functie en doelstellingen van een overleg beschrijven.

        • De deelnemer kan verschillende vormen van overleg beschrijven zoals werkbespreking/verdeling, werkoverleg, vergadering en instructiebespreking.

        • De deelnemer kent de verschillen tussen formele en informele communicatiestromen, informeren en/of inspraak bieden, besluiten nemen en/of afspraken maken.

        • De deelnemer kan een werkoverleg of vergadering voorbereiden (agenda opstellen, tijdsplanning maken, deelnemers selecteren en uitnodigen, locatie en catering regelen).

        • De deelnemer kan een vergadering of werkoverleg leiden (vergaderregels, regie, sfeer, groepsdynamiek, betrokkenheid, feedback, timemanagement en resultaat).

      • Overtuigen
        • De deelnemer kan de afdelingsdoelen en afspraken uitdragen en overdragen op de medewerkers.

        • De deelnemer kent de waarde van voorbeeldgedrag, het uiten van positieve waardering, ondersteuning en feedback naar de medewerkers en het creëren van betrokkenheid bij de medewerkers en kan hier als zodanig naar handelen.

        • De deelnemer kan medewerkers in gesprekken begeleiden en aansturen op afgesproken persoonlijke en team doelstellingen.