A    X
Afleveringsklaarmaken van bedrijf
Bedrijfsvoertuigen elektro(nica)
Bedrijfsvoertuigen elektro(nica)
Laadkleppen periodieke keuring (L
Tekening lezen
Laadkleppen storingen zoeken
Laadkleppen hydrauliek
Laadkleppen elektro
MIG-lassen lichtmetaal (aluminium
MAG-lassen dunne staalplaat
TIG-lassen roestvaststaal
MAG-lassen staalplaat
Pneumatiek
Transportkoeling
Herstellen van kunststofdelen
Repareren van (schuif)zeil- en ge
Veilig hijsen
Veilig werken met de vorkheftruck
Gas, water en elektriciteit carro
PACK - periodieke aanhangwagen en
Lijmverbindingen carrosseriebouw
Mobiele elektrische installaties
Carrosserieconstructies
CE-markeringen

B 

Deelbranche: Carrosseriebouw

Eerste Carrosseriebouwer

De Eerste Carrosseriebouwer verricht zijn werkzaamheden op de afdelingen carrosserienieuw- en verbouw en/of - reparatie/onderhoud van het carrosseriebouwbedrijf. De werkzaamheden op deze afdelingen bestaan in de meeste gevallen uit het (de)monteren van carrosserie- en interieuronderdelen, repareren/herstellen van schades, het onderhouden van voertuiginstallaties en het opbouwen van carrosserieën.

Branchekwalificaties

    • Afleveringsklaarmaken van bedrijfsvoertuigen
      • Initiatiefnemer: OOC


    • Bedrijfsvoertuigen elektro(nica) carrosseriebouw 1
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Begrippen/relaties/verbanden/berekeningen
        • De deelnemer kent de elektrotechnische begrippen; spanning, stroom, vermogen, weerstand en elektromagnetisme en kan het verband daartussen verklaren en berekenen d.m.v. de (Wet van ohm; U=I*R en de wet van het vermogen P=U*I).
          Aandachtspunten:
          • Kan de relatie van (parasitaire) weerstanden leggen in relatie tot de spanning en de stroom in schematische weergegeven circuits.
          • Het verband tussen spanning, stroom en vermogen    omschrijven.
          • Kan vanuit het elektrisch opgegeven vermogen de stroomsterkte bepalen.
           
        • De deelnemer kan het verschil tussen gelijkspanning en wisselspanning (AC/DC) omschrijven aan de hand van voorbeelden.

        • De deelnemer kan aangeven en omschrijven wat wordt verstaan onder serie-, parallel-, en gecombineerde schakelingen.
          Aandachtspunten:
          • Bepaalt van tevoren de gewenste meetmethode en meetwaarden adhv het elektrische schema.
        • De deelnemer kan omschrijven en berekenen wat er met spanning, stroom, vermogen en weerstand gebeurt in serie-, parallel-, en gecombineerde schakelingen.
          Aandachtspunten:
          • Bepaalt van tevoren de gewenste meetmethode en meetwaarden adhv het elektrische schema.
          • Kan de relatie van (parasitaire) weerstanden leggen in relatie tot de spanning en de stroom in schematische weergegeven circuits.
      • Lezen/interpreteren van eenvoudige elektrische schema’s
        • De deelnemer kan elektrische schema’s met een eenvoudige stroomkring tekenen, lezen, interpreteren en verklaren.
          Aandachtspunten:
          • Symboolherkenning, systeemherkenning en de opbouw daarvan kunnen omschrijven (ook storingen), plaats van storingen kunnen aangeven, van tevoren bepalen van de gewenste meetmethode en meetwaarden a.d.h.v. het elektrische schema.
      • Opsporen en verhelpen van storingen in eenvoudige elektrische en elektronische systemen
        • De deelnemer kan de werking van een gelijkstroommotor omschrijven.
          Aandachtspunten:
          • Stroom toename bij toerental afname.
          • Stroom afname bij toerental toename.
        • De deelnemer kan omschrijven hoe met behulp van een multi-meter (V1-V4 meting), proeflamp en/of ampèremeter, volgens een vaste procedure, weerstand, vermogen, spanning en stroom worden gemeten/ berekend.
          Aandachtspunten:
          • Spanningsverlies meten, kortsluiting opsporen, clandestiene verbruiker opsporen, foutcode uitlezen.
          • Multimeter.
          • Stroomtang.
        • De deelnemer kan omschrijven hoe eenvoudige storingen als spanningsverlies, kortsluiting en onbedoelde stroomverbruikers achterhaalt kunnen worden d.m.v. V1-V4 meting, proeflamp en/of ampèremeter en kan deze methoden ook toepassen.
          Aandachtspunten:
          • Gebruik van gangbare meetinstrumenten, meetmethoden en documentatie (elektrisch schema / aantekeningen).
          • Draadbreuk, defecte stekkerverbinding opsporen.
          • Overgangs weerstand opsporen.
          • Storingen opsporen in relais schakelingen.
        • De deelnemer kan de opbouw, werking en meetmethodes van start- en laadsystemen omschrijven en hier controles op uitvoeren.
          Aandachtspunten:
          • Typen accu's.
          • Accu(Din- en SAE norm).
          • Accu: met behulp van zuurweger, belastingsweerstand en elektronische accutester (Midtronic, Snap-on) 
        • De deelnemer kan met behulp van een systeemtester uitlezen, wissen en resetten.
          Aandachtspunten:
          • Lezen, wissen van foutcodes.
          • Verschil tussen actueel, opgeslagen foutcodes.
          • Gebruik van gangbare meetinstrumenten,  meetmethodieken en documentatie.
          • Spanningsverlies meten.
          • Kortsluiting opsporen.
          • Draadbreuk, defecte stekkerverbinding opsporen.
          • Clandestiene verbruiker opsporen.
          • Overgangs weerstand opsporen.
          • Storingen opsporen in relaisschakelingen.
          • Foutcodes; lezen, wissen van foutcodes.
        • De deelnemer kan bij het verhelpen van storingen de meest gebruikte reparatiemethoden omschrijven en elektrische verbindingen maken.
          Aandachtspunten:
          • Stekker (ongeïsoleerd en geïsoleerd), soldeerverbindingen met krimphuls, verbindingen afhankelijk van de plaats waterdicht of niet waterdicht.
          • Bedrading repareren, component repareren/vervangen.
          • Draadbreuk, bedrading/stekkerverbinding repareren.
      • Aansluiten van carrosseriecomponenten op aanwezige voertuigsystemen
        • De deelnemer kent het bestaan van opbouwvoorschriften/ richtlijnen, kan deze interpreteren en ernaar handelen en weet wat wel en niet is toegestaan. 

    • Bedrijfsvoertuigen elektro(nica) carrosseriebouw 2
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Lezen/interpreteren minder complexe elektrische schema’s
        • De deelnemer kan omschrijven op welke wijze informatiebronnen kunnen worden ingezet voor het verkrijgen van voertuiginformatie en –data en kan deze informatiebronnen ook toepassen.
          Aandachtspunten:
          • Het gangbare multimedia-gebruik in de werkplaats   omschrijven bij het verkrijgen van voertuiginformatie.
          • Multimedia toepassen voor het verkrijgen van voertuiginformatie bijv. toepassen van autodatasystemen.
          • Schema’s vinden.
          • Schema’s lezen.
          • Component informatie vinden en gebruiken.
          • Component locatie.
        • De deelnemer kan elektrische schema’s tekenen, lezen, interpreteren waar sensoren, actuatoren en ECU’s deel van uitmaken.
          Aandachtspunten:
          • Symboolherkenning, systeemherkenning en de werking daarvan kunnen omschrijven (ook storingen), locatie opsporen van componenten en verbindingen in het voertuig.
          • Voorbeelden van de hier bedoelde voertuigsystemen zijn bijvoorbeeld een airbagsysteem, verlichtingssysteem, parkeerhulp, etc.
          • Het toepassen van een werkplaatsinformatiesysteem.
      • Meten/interpreteren signalen in elektr(on)ische systemen
        • De deelnemer kan het verband tussen spanning, stroom en weerstand in elektrische schakelingen beschrijven.

        • De deelnemer kan omschrijven wat de functie en werking is van sensoren en actuatoren in elektronische voertuigsystemen en hoe daarbij de spanningen en stromen in elektronische voertuigsystemen verlopen.
          Aandachtspunten:
          • Aan de hand van elektrische schema’s eventueel mbv inkleuren, binnen het kader van werking sensoren en actuatoren, de werking van de regeleenheid in relatie tot sensoren en actuatoren omschrijven.
        • De deelnemer kan omschrijven wat de functie/toepassing en de werking is van de verschillende soorten actuatoren en sensoren in elektronische voertuigsystemen.
          Aandachtspunten:
          • Passieve, actieve en intelligente sensoren.
          • Type sensoren en hun toepassingen zoals:
          • Analoge of digitale druksensoren (piezo, membraan).
          • Temperatuursensor (NTC, PTC).
          • Massastroomsensoren (hittedraadsensor, hittefilmsensor), zuurstofsensor (actief en passief), detonatiesensoren, gier- en versnellingssensoren.
          • Type actuatoren en hun toepassingen, zoals:
          • Elektromotoren (stappenmotor, stelmotor, pompmotor).
          • Relais en schakelaars.
          • Elektromagnetische kleppen (solenoïde).
          • Elektromotoren.
          • Verwarmingselementen.
        • De deelnemer kan omschrijven op welke wijze meet- en testapparaat dient te worden aangesloten om meet- en testgegevens te verkrijgen, hoe de apparatuur werkt en welke meet- en testapparatuur, in welke gevallen, het best kunnen worden ingezet.
          Aandachtspunten:
          • Toepassing van de multimeter of universeelmeter, scoop, foutcode-uitlezer. Stroommetingen met ampèremeter/tang.
        • De deelnemer kan omschrijven welke meet- of diagnosemethodes kunnen worden uitgevoerd met behulp van een systeemtester en kan deze methodes toepassen.
          Aandachtspunten:
          • Stroommetingen met ampèremeter en -tang, gemeten met multimeter, scoop.
          • Toepassing van de multimeter, oscilloscoop, systeemtester.
      • Opsporen en verhelpen van storingen in minder complexe elektrische en elektronische systemen
        • De deelnemer kan met behulp van een multimeter vaststellen of er schade (of een storing) is opgetreden aan een regeleenheid, de bedrading of het component zelf dat door de regeleenheid wordt aangestuurd en kan hierbij de gemeten waarden interpreteren.
          Aandachtspunten:
          • Multimeter, oscilloscoop, systeemtester.
          • Binnen de bij de kennisaspecten genoemde systemen (elektrische en elektronische hoofdsystemen).
          • Onderscheid maken tussen defecte sensor, actuator, regeleenheid en periferie.
          • Kortsluiting, overgangsweerstanden en afwijkende componentwaarden.
        • De deelnemer kan omschrijven hoe de procedure verloopt van het uitvoeren van een (schade)diagnose of het meten/testen van voertuigsystemen en kan op basis van de verkregen meet- en testgegevens omschrijven welke reparatiemethoden vereist is.
          Aandachtspunten:
          • Systematisch en geldend voor de genoemde systemen (doorvragen, van grof naar fijn).
          • Toepassing van verbindings- en montage gereedschappen.
          • Toepassing van verbindings- en montage gereedschappen.
        • De deelnemer kan storingen, veroorzaakt door voertuigschade, in minder complexe elektronische voertuigsystemen opsporen en deze storingen verhelpen.
          Aandachtspunten:
          • Multimeter, systeemtester en/of oscilloscoop.
          • Gebruik makend van de juiste reparatie methodes.
    • Laadkleppen periodieke keuring (LPK)
    • Tekening lezen
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Tekening lezen
        • De deelnemer kent de algemene symbolen en aanduidingen in een technische tekening en kan deze lezen (vorm- en plaatstoleranties, oppervlaktebehandeling, etc.).

        • De deelnemer kent het doel van het titelblok in een technische tekening en kan de titelvelden benoemen en identificeren.

        • De deelnemer kent de projectiemethoden die in technische tekeningen gebruikt worden en kan deze lezen (Amerikaans, Europees, etc.).

        • De deelnemer kent de lijnsoorten die in technische tekeningen gebruikt worden en kan deze lezen. 

        • De deelnemer kent de betekenis van de gebruikelijke afkortingen in specificatiebladen van leveranciers en kan deze van de tekeningen aflezen (wielbasis, vooroverbouw, achteroverbouw, etc.).

        • De deelnemer begrijpt de relatie tussen originele en detailtekeningen.

        • De deelnemer kan fouten en ontbrekende maten in tekeningen achterhalen en verhelpen.  

    • Laadkleppen storingen zoeken
    • Laadkleppen hydrauliek
    • Laadkleppen elektro
      • Initiatiefnemer: OOC


    • MIG-lassen lichtmetaal (aluminium)
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de mechanische, chemische, fysische en technologische eigenschappen en toepassingsgebieden van aluminium.

        • De deelnemer kent  het verloop van het verbindingsproces tijdens het lassen van aluminium.

        • De deelnemer kent de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften betreffende het lassen van aluminium en kan deze ook toepassen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de te gebruiken lasmethoden voor aluminium en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de gevolgen van warmte-inbreng van aluminium en kan hier mee omgaan.

        • De deelnemer kan ongewenste materiaaleigenschappen, die worden verkregen door verkeerde instelling van de lasapparatuur, bij het lassen van aluminium herkennen en verklaren en/of voorkomen.

      • Gereedschappen, apparatuur
        • De deelnemer kent de in- en afstellingen van de voor het lassen van aluminium toe te passen lasapparatuur in relatie tot materiaaldikte, toepassingsgebied, etc. en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de tijdens het lassen van aluminium toegepaste beschermingsgassen en toevoegmaterialen en weet ook in welke mate, en hoe deze moeten worden toegevoegd.

    • MAG-lassen dunne staalplaat
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de mechanische, chemische, fysische en technologische eigenschappen en toepassingsgebieden van dunne staalplaat.

        • De deelnemer kent het verloop van het verbindingsproces tijdens het lassen van dunne staalplaat.

        • De deelnemer kent de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften betreffende het lassen van dunne staalplaat en kan deze ook toepassen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kan de keuze voor MAG-lassen van dunne staalplaat toelichten.

        • De deelnemer kent de gevolgen van warmte-inbreng van dunne staalplaat en kan hier mee omgaan.

        • De deelnemer kan ongewenste materiaaleigenschappen, die worden verkregen door verkeerde instelling van de lasapparatuur, bij het lassen van dunne staalplaat herkennen en verklaren en/of voorkomen.

      • Gereedschappen, apparatuur
        • De deelnemer kent de in- en afstellingen van de voor het lassen van dunne staalplaat toe te passen lasapparatuur in relatie tot materiaaldikte, toepassingsgebied, etc. en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de tijdens het lassen van dunne staalplaat toegepaste beschermingsgassen en toevoegmaterialen en weet ook in welke mate, en hoe deze moeten worden toegevoegd. 

    • TIG-lassen roestvaststaal
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de mechanische, chemische, fysische en technologische eigenschappen en toepassingsgebieden van roestvast staal.

        • De deelnemer kent het verloop van het verbindingsproces tijdens het lassen van roestvast staal.

        • De deelnemer kent de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften betreffende het lassen van roestvast staal en kan deze ook toepassen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de te gebruiken lasmethoden voor roestvast staal en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de gevolgen van warmte-inbreng van roestvast staal en kan hier mee omgaan.

        • De deelnemer kan ongewenste materiaaleigenschappen, die worden verkregen door verkeerde instelling van de lasapparatuur, bij het lassen van roestvast staal herkennen en verklaren en/of voorkomen.

      • Gereedschappen, apparatuur
        • De deelnemer kent de in- en afstellingen van de voor het lassen van roestvast staal toe te passen lasapparatuur in relatie tot materiaaldikte, toepassingsgebied, etc. en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de tijdens het lassen van roestvast staal toegepaste beschermingsgassen en toevoegmaterialen en weet ook in welke mate, en hoe  deze moeten worden toegevoegd.

    • MAG-lassen staalplaat
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de mechanische, chemische, fysische en technologische eigenschappen en toepassingsgebieden van staalplaat.

        • De deelnemer kent het verloop van het verbindingsproces tijdens het lassen van staalplaat.

        • De deelnemer kent de (wettelijke) veiligheidsvoorschriften betreffende het lassen van staalplaat en kan deze ook toepassen.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de te gebruiken lasmethoden voor staalplaat en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de gevolgen van warmte-inbreng van staalplaat en kan hier mee omgaan.

        • De deelnemer kan ongewenste materiaaleigenschappen, die worden verkregen door verkeerde instelling van de lasapparatuur, bij het lassen van staalplaat herkennen en verklaren en/of voorkomen.

      • Gereedschappen, apparatuur
        • De deelnemer kent de in- en afstellingen van de voor het lassen van staalplaat toe te passen lasapparatuur in relatie tot materiaaldikte, toepassingsgebied, etc. en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de tijdens het lassen van staalplaat toegepaste beschermingsgassen en toevoegmaterialen en weet ook in welke mate, en hoe deze moeten worden toegevoegd. 

    • Pneumatiek
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de basisbegrippen van pneumatiek (druk, volume, etc.).

        • De deelnemer kent de principewerking van pneumatische installaties.

        • De deelnemer kan de voor- en nadelen van pneumatische installaties ten opzichte van hydraulische installaties beschrijven. 

        • De deelnemer kan de onderdelen van pneumatische installaties noemen en per onderdeel de functie ervan beschrijven (kleppen, ventielen, cilinders, etc.).

        • De deelnemer kan pneumatische en gecombineerde (bijvoorbeeld elektrisch-pneumatische) installaties herkennen.

      • Lezen/ interpreteren van pneumatische schema's en berekeningen uitvoeren
        • De deelnemer kan pneumatische, elektrische, mechanische en hydraulische schema’s herkennen. 

        • De deelnemer kan pneumatische schema’s lezen, interpreteren en verklaren.

        • De deelnemer kan de benodigde kracht van de ingaande en uitgaande kracht berekenen bij zowel enkele als dubbelwerkende cilinders. 

      • Inbouwen/onderhoud/storingen
        • De deelnemer kent de voorwaarden voor het inbouwen van pneumatische installaties en kan deze toepassen (installatie zelf, waar aansluiten, luchtcircuit, etc.). 

        • De deelnemer kent de werkzaamheden die nodig zijn voor het inwerking stellen en houden van pneumatische installaties en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de aspecten voor het onderhouden van pneumatische installaties en kan deze toepassen.

        • De deelnemer kent de factoren die de werking van pneumatische installaties kunnen beïnvloeden (vocht, temperatuur, etc.). 

        • De deelnemer kent de storingen die zich kunnen voordoen in pneumatische installaties, kan deze opsporen en verhelpen. 

    • Transportkoeling
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Principes/kenmerken/begrippen
        • De deelnemer kent de verschillende koelsystemen.

        • De deelnemer kent de principewerking van mechanische koeling.

        • De deelnemer kent de begrippen warmte- c.q. koude-overdracht, directe warmte-overdracht, indirecte warmte-overdracht, warmtegeleiding en warmtegeleidingsvermogen, Log pH.

        • De deelnemer kan het natuurkundig principe waarop alle koelmethoden berusten omschrijven.

        • De deelnemer kan omschrijven waarom, op welke wijze en op welke plaats(en) de temperatuur in een laadruimte gemeten kan worden.

        • De deelnemer kan omschrijven waarom een goede luchtcirculatie in een laadruimte van belang is en hoe deze wordt verkregen.

        • De deelnemer kan beschrijven wat wordt verstaan onder een direct - en een indirect koelsysteem.

        • De deelnemer kan aangeven hoe de werkelijke "koudebehoefte" c.q. "warmtebehoefte" van een opbouw wordt bepaald.

        • De deelnemer kan aangeven wat oorzaken kunnen zijn van temperatuurverandeirngen in een laadruimte.

        • De deelnemer kan aangeven waarvan de warmte-uitwisseling via het dak, wanden en vloer van een laadruimte afhankelijk is.

        • De deelnemer kan de mogelijke koudebronnen cq warmtebronnen van geïsoleerde laadruimten noemen.

        • De deelnemer kan het doel van het isoleren van laadruimten omschrijven en op welke wijze dit kan worden gerealiseerd.

        • De deelnemer kan omschrijven wat wordt verstaan onder een isolatiemateriaal en weet van elk (isolatie) materiaal de specifieke eigenschappen te noemen.

        • De deelnemer kent de milieurisico's/ wetgeving van het werken met koelsystemen en koudemiddelen en kan hierop actie ondernemen. 

      • Opbouw koelsysteem
        • De deelnemer kent de hoofdindeling van koelsystemen en kan per hoofdgroep de voor -  en nadelen noemen.

        • De deelnemer kan, eventueel aan de hand van schets(en), de toepasbare koelsystemen cq verwarmingssystemen van laadruimten omschrijven.

        • De deelnemer kan, eventueel aan de hand van schets(en), de voorzieningen die aan/in de opbouw moeten worden getroffen voor het vervoer met een specifieke koelmethode noemen.

        • De deelnemer kan, eventueel aan de hand van schets(en) de onderdelen waaruit het specifieke koelsysteem kan bestaan noemen en per onderdeel de functie ervan beschrijven.

        • De deelnemer kan het elektrische schema van een koelinstallatie van 12/24 Volt, lezen en toepassen.

        • De deelnemer kent de elektrotechnische aspecten van een koelinstallaties van 220/380 Volt.

        • De deelnemer kent de aandrijftechniek die wordt toegepast in relatie tot koelinstallaties.

      • Inbouwen/onderhoud/storingen
        • De deelnemer kent de voorwaarden voor het inbouwen van transportkoelinstallaties en randapparatuur en kan deze toepassen.

        • De deelnemer kent de aspecten voor het onderhouden van transportkoelinstallaties en randapparatuur en kan deze toepassen.

        • De deelnemer kent de werkzaamheden die nodig zijn voor het inwerking stellen en houden van een koelinstallatie en kan deze ook toepassen.

        • De deelnemer kent de storingen die zich kunnen voordoen in een koelinstallatie.

    • Herstellen van kunststofdelen
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Gereedschappen, apparatuur, materialen
        • De deelnemer kent de gereedschappen en apparatuur die worden ingezet voor het lassen en verwarmen van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de gereedschappen en materialen die worden ingezet voor het mechanisch verbinden van kunststofdelen (bijvoorbeeld nieten) en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de toevoegingsmaterialen (kunststof lasdraad, lijmsoorten, stikstof) die worden ingezet voor het lassen en lijmen van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kan kunststoffen/typen herkennen/identificeren.

        • De deelnemer kent de begrippen die verband houden met kunststof en kunststofreparatie, zoals: thermohardend, thermoplast, etc.

        • De deelnemer kan de kunststof (veiligheids)delen herkennen, die om veiligheidsredenen niet gelast of gelijmd mogen worden.

      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer kent de verschillende reparatietechnieken voor kunststofdelen, zoals: lassen, lijmen (vol of met mechanische verbindingen), verwarmen (in geval van deukjes), etc. en de voor – en nadelen van deze reparatiemethoden en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer kent de veiligheidsmaatregelen die getroffen moeten worden voor het repareren van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer begrijpt de productinformatie voor de in te zetten materialen voor het repareren van kunststofdelen en kan deze ook als zodanig toepassen.

        • De deelnemer weet hoe de verschillende reparatiemethoden dienen te worden nabewerkt tot het plamuren van de reparatieplek.

    • Repareren van (schuif)zeil- en gesloten carrosserieën
      • Initiatiefnemer: OOC


    • Veilig hijsen
      • Initiatiefnemer: OOC


    • Veilig werken met de vorkheftruck
      • Initiatiefnemer: OOC


    • Gas, water en elektriciteit carrosseriebouw
      • Initiatiefnemer: OOC


    • PACK - periodieke aanhangwagen en caravan keuring
      • Initiatiefnemer: OOC


    • Lijmverbindingen carrosseriebouw
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

        Kennis testen met demotoets
      • Lijmen
        • De deelnemer kan technische informatie lezen en interpreteren, en tijdens de uitvoering van zijn werkopdracht toepassen, over lijm en lijmverbindingen met betrekking tot de toepassingsgebieden (doelen en ondergronden), wijze van opslag houdbaarheid, de verwerking, het  reinigen van gereedschappen, de omgeving en het beschermen van de huid.

        • De deelnemer kan de gevolgen voor de kwaliteit van lijmverbindingen omschrijven  als de voorschriften van de lijmfabrikant niet worden nageleefd ten aanzien van te dunne lijmlagen of te dikke lijmlagen, de voorbehandeling van de ondergrond, de mengverhouding, de opslag, de verwerking.

        • De deelnemer kan de juiste lijm en het meest geschikte gereedschap selecteren en toepassen voor een gegeven lijmverbinding.

        • De deelnemer kan de relevante begrippen bij lijmverbindingen noemen en verklaren.

        • De deelnemer kan per type lijmverbinding noemen, welke soorten krachten, resp. welke soorten belastingen goed kunnen worden opgenomen en welke dienen te worden vermeden.

        • De deelnemer kan aangeven welke persoonlijke beschermingsmiddelen noodzakelijk zijn bij het vervaardigen van lijmverbindingen  en kan deze middelen op correcte wijze gebruiken.

    • Mobiele elektrische installaties
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer kent de NEN 1010 met betrekking tot elektrische installaties in verrijdbare en verplaatsbare eenheden. 

        • De deelnemer weet welke ‘eenheden’ vallen onder NEN 1010, rubriek 717.11 Verrijd-/ verplaatsbare eenheden. 

        • De deelnemer kent de overeenkomsten en verschillen tussen een vaste en een mobiele installatie. 

        • De deelnemer kent de overeenkomsten, verschillen en kenmerken van verschillende netstelsels.
          Aandachtspunten:

          • TN-stelsel, TN-S-stelsel, TN-C-S-stelsel, TN-C-stelsel, IT-stelsel, TT-stelsel, IU-stelsel, IM-stelsel.
        • De deelnemer weet wat opwekeenheden en hun doeleinden zijn. 

        • De deelnemer kent de redenen waarom aardelektrodes gebruikt worden.

        • De deelnemer kent de invloeden van AC-stroom (wisselstroom) en DC-stroom (gelijkstroom) op het menselijk lichaam. 

        • De deelnemer kent de overeenkomsten en verschillen tussen type A en type B aardlekschakelaars. 

        • De deelnemer kent de overeenkomsten en verschillen tussen type A en type B RCM meettechniek.
          Aandachtspunten:

          • Residual current measurement, AC/DC sensitive residual current measurement.
        • De deelnemer kent het principe, de applicatie en eigenschappen van verschillende meetmethodieken.
          Aandachtspunten:

          • Asymmetrie meetmethodiek (passief), DC-meetmethodiek (actief), AMP-meetmethodiek (actief).
        • De deelnemer kent de verschillende technieken voor het verkrijgen van 230 – 400 V mobiele elektrische laagspanningsinstallaties.
          Aandachtspunten:

          • Verkregen via walvoeding, een (boord)generator, omzetting vanuit 12 – 24 V (boord)voeding.
      • Proces, methoden, voorschriften
        • De deelnemer weet welk netstelsel in welke situatie toegepast moet worden.

        • De deelnemer weet wanneer verrijd-/ verplaatsbare eenheden (zoals genoemd in rubriek 717) moeten voldoen aan de eisen in rubriek 551 (laagspanningsopwekeenheden).

        • De deelnemer weet waar op te letten bij het gebruik van een omvormer als opwekeenheid.

        • De deelnemer kan, bij de aanwezigheid van DC-stroom (gelijkstroom), de juiste aardlekschakelaars en isolatiebewakers selecteren.

        • De deelnemer kent de eisen voor elektrische apparaten met hoge lekstromen.
          Aandachtspunten:

          • Rubriek 5.2.11.1 Hoge lekstromen.
        • De deelnemer kan, gegeven de situatie, de juiste RCD (aardlekschakelaar) en RCM (reststroommeting) selecteren.
          Aandachtspunten:

          • Rubriek 5.2.11.2 Compatibiliteit met RCD bij lage < 30 mA lekstromen.
        • De deelnemer kent de situaties waarin een AC/DC-gevoelige meting van foutstromen verplicht is. 

        • De deelnemer kent de voorzorgsmaatregelen bij gebruik van type A aardlekschakelaars.

        • De deelnemer kan, afhankelijk van de soort verbruikers, kiezen voor de juiste meetmethodiek.
          Aandachtspunten:

          • DC-meetmethodiek, Puls-meetmethodiek, AMP-meetmethodiek (adaptive measuring pulse).
        • De deelnemer kent de problemen die kunnen optreden bij meetmethodieken en kan deze oplossen.

        • De deelnemer weet welke oplossingen praktisch en veilig zijn voor ondeskundige gebruikers. 

        • De deelnemer weet wanneer men persoonsveiligheid binnen en buiten de eenheid heeft.

        • De deelnemer kan gevaarlijke foutsituaties herkennen.

    • Carrosserieconstructies
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Carrosserieconstructie
        • De deelnemer kent verschillende soorten uitvoeringsvormen van carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Open laadbak, gesloten laadbak, laadbak met huif, tankwagen, kipper, met/ zonder hulpraam, etc.
        • De deelnemer kan wettelijke normen vanuit de overheid, (opbouw)richtlijnen en technische informatie interpreteren en toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Wettelijke normen vanuit de overheid hebben o.a. betrekking op lengte, breedte, verlichting.
          • (Opbouw)richtlijnen kunnen vanuit de RDW en/of de fabrikant zijn.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten constructie- en bevestigingsmethoden die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Lijmen, schroeven, hybride (lijm in combinatie met schroef), speciale profielen, etc.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten hang- en sluitwerk die toegepast worden in deuren, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Pianoscharnier, opbouwscharnier, inbouwsluiting, opbouwsluiting, etc.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten lijsten en rubbers die aan de buitenzijde van carrosserieconstructies toegepast worden, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Afwerklijsten, stootrubbers, etc.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten vastzetinrichtingen/ vastzetsystemen die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Ladingvastzetrail, borgrail, kaprail, bodemrail, cargorail, bindrail, vastzetbuis, telescoopstangen, sperstangen, kledingstangen, beugels, sjorbanden, sjorogen, sjorkettingen, spanbanden, twistlocks, rong, rongbus, etc.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten laad- en lossystemen die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Rollenbanen, walking/ moving floor, achtersluitlaadklep, ondersluitlaadklep, hydraulische laadkraan, etc.
        • De deelnemer kent de verschillende soorten isolaties die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen (isolatie voor warmte, koude, geluid).
          Aandachtspunten:

          • PU-schuim, hardschuim.
      • Materialen en verbindingen
        • De deelnemer kent de verschillende soorten materialen die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • Kunststof, staal, roestvaststaal, aluminium, hout, etc.
          • Combinatie van materialen (bijvoorbeeld roestvaststaal en aluminium). 
        • De deelnemer kent de verschillende soorten verbindingstechnieken die toegepast worden in carrosserieconstructies, hun eigenschappen en toepassingen.
          Aandachtspunten:

          • MIG-lassen, MAG-lassen, TIG-lassen, lijmen, schroeven, bouten, klikprofielen, verbindingsprofielen, etc.
        • De deelnemer kan de gevolgen omschrijven van een onjuiste toepassing van materialen in een carrosserieconstructie.

        • De deelnemer kan de gevolgen omschrijven van een onjuiste toepassing van verbindingen in een carrosserieconstructie.

        • De deelnemer kan een beredeneerde keuze maken tussen uitvoeringsvormen van carrosserieconstructies in relatie tot de te vervoeren lading.

        • De deelnemer kan een beredeneerde keuze maken tussen verschillende soorten koel- en verwarmingingssystemen (in de vloer) in relatie tot de te vervoeren lading.

      • Lading
        • De deelnemer kent verschillende soorten lading die vervoerd kunnen worden.
          Aandachtspunten:

          • Pallets, rolcontainers, vloeistoffen, losse bulkgoederen, gevaarlijke stoffen, gekoelde producten, hangend vlees, bloemen, dieren, medicijnen, etc.
    • CE-markeringen
      • Initiatiefnemer: OOC
        Branchetoetsdocument

      • Principes, kenmerken, begrippen
        • De deelnemer weet waar de afkorting CE voor staat. 

        • De deelnemer kent het doel van een CE-markering. 

        • De deelnemer kent het proces om te komen tot een CE-markering. 

        • De deelnemer kent en begrijpt de begrippen die relevant zijn tijdens het proces om te komen tot een CE-markering.
          Aandachtspunten:

          • Machine, fabrikant, schade, gevaar, risico, etc.
        • De deelnemer kan schema’s en tabellen interpreteren, bijvoorbeeld ten behoeve van het identificeren van gevaren en het opstellen van risico reducerende maatregelen. 

      • Definitie product
        • De deelnemer kan beoordelen of de machine voldoet aan de definitie van ‘machine’ volgens de machinerichtlijn 2006/42/EG.

      • Vaststellen richtlijnen
        • De deelnemer kent (globaal) de overeenkomsten en verschillen tussen verschillende soorten wetgeving en richtlijnen en kan bepalen welke van toepassing zijn op de machine.
          Aandachtspunten:

          • Machinerichtlijn 2006/42/EG
          • Gids voor de toepassing van Machinerichtlijn 2066/42/EG
          • NEN-EN-ISO 12100 : 2010
          • Richtlijn 2014/35/EU (laagspanning)
          • Richtlijn 2014/30/EU (EMC; elektromagnetische compatibiliteit)
        • De deelnemer kent de condities voor het inschakelen van een ‘notified body’ voor de machine.

      • Identificatie gevaren
        • De deelnemer kan gevaren systematisch identificeren voor alle fasen in de levensduur van de machine.
          Aandachtspunten:

          • Redelijkerwijs voorzienbare gevaren
          • Gevaarlijke situaties
          • Gevaarlijke gebeurtenissen
        • De deelnemer kent de indeling van gevaargroepen en kan geïdentificeerde gevaren hiernaar indelen.
          Aandachtspunten:

          • Mechanische, elektrische, thermische gevaren.
          • Gevaren door lawaai, trillingen, straling, materialen en stoffen.
          • Ergonomische gevaren.
          • Gevaren uit de omgeving van de machine.
          • Combinatie van gevaren.
        • De deelnemer kent de begrippen ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ en kan oorzaken en mogelijke gevolgen van geïdentificeerde gevaren beschrijven. 

      • Risico-inschatting
        • De deelnemer kent de verschillende soorten grenzen van een machine en kan deze voor alle fasen in de levensduur van de machine beschrijven.
          Aandachtspunten:

          • Gebruiksgrenzen (bedoeld gebruik en voorzienbaar verkeerd gebruik).
          • Ruimtelijke grenzen.
          • Tijdgrenzen.
        • De deelnemer kent de factoren waarvan een risico, dat verbonden is aan bepaalde gevaarlijke situatie, afhankelijk is en kan deze toepassen bij het uitvoeren van een risico-inschatting.
          Aandachtspunten:

          • Omvang van de schade
          • De kans op het optreden van de schade
            • De blootstelling van een of meer personen aan het gevaar
            • Het optreden van en gevaarlijke gebeurtenis.
            • De technische en menselijke mogelijkheden om de schade te vermijden of te beperken.

           

        • De deelnemer kent de belangrijkste methode voor risico-inschatting en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Risicomodel Fine & Kinney in combinatie met NEN-ISO-12100:2010 tabel B3, vervolgens B1
      • Risico-evaluatie
        • De deelnemer kan voor elk geëvalueerd risico bepalen of risico reducerende maatregelen nodig zijn. 

        • De deelnemer kent de volgorde van risico reducerende maatregelen en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Inherent veilig ontwerpen
          • Beveiligende en beschermende maatregelen
          • Informeren van de gebruiker
      • Technisch dossier
        • De deelnemer kent de eisen waaraan een technisch dossier moet voldoen en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Machinerichtlijn 2006/42/EG; bijlage 7 deel A
      • Gebruiksaanwijzing
        • De deelnemer kent de eisen waaraan een gebruiksaanwijzing moet voldoen en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Machinerichtlijn 2006/42/EG
          • NEN 5509
        • De deelnemer kan de technische gegevens van de machine opzoeken en beschrijven.
          Aandachtspunten:

          • Merk, model, aandrijving, voltage, machinenummer, bouwjaar, gewicht, afmetingen, etc.
      • EG-verklaring van overeenstemming en CE-markering van overeenstemming
        • De deelnemer kent de eisen waaraan een EG-verklaring van overeenstemming moet voldoen en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Machinerichtlijn 2006/42/EG; bijlage 2
        • De deelnemer kent de eisen waaraan de CE-markering van overeenstemming moet voldoen en kan deze toepassen.
          Aandachtspunten:

          • Machinerichtlijn 2006/42/EG